Incanto Images Fotografie

Incanto Images betekent betoverende foto's.
Ik hoop dat de betovering werkt en dat je kan genieten van de foto's.
Van macro- tot landschapfotografie en alles wat daar tussen in zit.





Werklust


Deze molen werd in 1858 in opdracht van Gerrit Witteveen gebouwd door de firma Ten Zijthoff uit Deventer gebouwd. Van 1893 tot 1938 was de molen in het bezit van Jacobus Witteveen Gzn., van 1938 tot 1977 van de gebroeders Lambertus en Gerrit Witteveen. Laatste particuliere eigenaar, van 1977 tot 1982, was Jacobus 'Koos' Witteveen. In 1982 droeg deze de Werklust voor het symbolische bedrag van 1 gulden over aan de Stichting Behoud Korenmolen Weklust te Oene.






Oorspronkelijk werd met twee koppel stenen gemalen; nu is nog één koppel aanwezig. Al rond 1900 werd er in het aanbouwtje naast de molen een ruwoliemotor geplaatst, zodat ook in tijden van windstilte kon worden gemalen. In 1930 nam een dieselmotor de aandrijving over; omstreeks 1950 werd deze ( lawaaiige) krachtbron vervangen door een elektromotor.






In de jaren '60 van de 20ste eeuw werd het malen verplaatst naar de achter de molen gelegen bijgebouwen en werden als krachtbron louter elektromotoren gebruikt. Hierdoor werd de molen als maalderij overbodig. Onderhoud bleef achterwege en dus raakte de molen langzamerhand in verval.






De Stichting kon de molen in 1984 laten restaureren, mede dankzij giften van de inwoners van Oene en omliggende dorpen. Het herstel werd uitgevoerd door restauratiebedrijf Schakel & Schrale. Dit bedrijf niet lang tevoren De Vlijt te Wapenveld herbouwd ( welke eind 1980 door brand geheel was verwoest). De windvaan van Schakel & Schrale getuigt nog van deze activiteiten.






De molen ondervindt uit diverse richtingen windbelemmering; bovendien is het, door enige aanbouwen, niet mogelijk om uit iedere windrichting te draaien. Desondanks wordt er door een groep enthousiaste molenaars regelmatig gedraaid en ook gemalen.






Deze molen heeft al zeer lang de naam "Werklust". In de volksmond werd vroeger wel gesproken van "De Enkmölle".











Molendatabase nummer 257

Walderveense Molen



Voor 1895 stond op deze plaats een standerdmolen. Toen H. Mulder zich hier in 1895 als molenaar vestigde, liet hij deze bouwvallig geworden molen afbreken en een stellingmolen bouwen.






Al in 1911 brandde deze na blikseminslag af; alleen het stenen voetstuk bleef intact. Het jaar daarop is de molen herbouwd met gebruik van slooponderdelen van elders. Het achtkant is onmiskenbaar Fries en heeft zeer waarschijnlijk gediend als pelmolen. Waarschijnlijk dateert het uit 1801: met dezelfde beitel als waarmee de telmerken zijn aangebracht, is ook dat jaartal ingehakt. De ( voor deze molen wat grote) kap lijkt een Zaanse oorsprong te hebben. 






Het zat de molenaar die jaren niet bepaald mee: bij een storm braken op 16 februari 1916 zowel de toen aanwezige houten als de ijzeren roede; in de val werd ook de stelling vernield. De molen werd hersteld en de molenaar ging met zijn tijd mee. In 1924 werd een Crossley-dieselmotor aangeschaft.

.




De molen onderging in 1962 en in 1980 restauraties. In 1962 werden nieuwe gelaste roeden gestoken, maar de waren in 1980, dus amper 18 jaar later, alweer aan vervanging toe! In dat laatste jaar werd de molen ook weer Oud-Hollands opgehekt.
Begin 2014 is de gehele stelling vernieuwd.

Tot 1990 had deze molen een neutenkruiwerk; de neuten worden nog altijd los in de molen bewaard


Molendatabase nummer: 292

De Hoop


Deze achtkante molen is opvolger van een op 17 maart 1893 afgebrande standerdmolen.






Over de herkomst van de huidige molen heeft lang onzekerheid bestaan: overduidelijk was het een verplaatste molen, maar het verhaal, dat dit ooit een Zaanse molen was leek, gezien de constructie, uitgesloten.
Onderzoek door molenkenner J.S. Bakker bracht de oplossing: deze molen was oorspronkelijk poldermolen in Wateringen, namelijk ondermolen van de in 1847 gebouwde driegang van de Nieuw Wateringveldse ploder.
De nog bestaande beltkorenmolen Maria-Antoinette te Deurne (NB) is de voormalige middenmolen van dezelfde gang en lijkt inwendig sprekend op De Hoop.
De verwarring over de vermeende Zaanse herkomst heeft een oorzaak: de molen werd te Wateringen afgebroken en vervolgens aan Elspeet verkocht door de bekende Zaanse slopersfirma De Boer. Van veel meer bestaande en verdwenen Nederlandse molens is daarom ten onrechte beweerd dat het verplaatste Zaanse molens zijn.






Het jaartal van herbouw in Elspeet moet haast wel 1894 zijn ( vaak werd '1897' gemeld); ten eerste omdat archiefstukken van het waterschap te Wageningen daarop wijzen; ten tweede omdat het onlogisch is dat men in Elspeet het drie jaar zonder molen had kunnen stellen.
Vergeleken met de situatie te Wateringen is de huidige molen qua verhoudingen wel veranderd: het ondertafelelement staat nu ter hoogte van de molenbelt; op de oude locatie bovenop stenen veldmuren. De vlucht in Elspeet is ook aanzienlijk korter dan destijds in Wateringen ( het  'zusje' te Deurne bewaarde veel duidelijker de Zuid-Hollandse proporties) 






De molen werd in 1962 en 1972 gerestaureerd, maar kwam na die laatste restauratie niet meer in bedrijf. Omstreeks 1978 werd er voor het laatst gedraaid, daarna volgde een langdurige periode van verval. Eind 2008 stond de molen er met vrijwel kale roeden en een grotendeels afgebroken staart troosteloos bij; ook was de omgeving inmiddels behoorlijk dichtgegroeid.






In het late najaar van 2009 werd besloten tot een algehele restauratie. Vervolgens had men de pech, dat het bedrijf dat de restauratie zou gaan uitvoeren, in financiële moeilijkheden kwam. Er moest een andere molenmaker worden gezocht.






Op 3 november 2010 werd, nadat eerst beide roeden waren gestreken, de kap verwijderd. Deze verkeerde niet in heel slechte staat en werd daarom naast de molen hersteld. Al in augustus 2011 volgde herplaatsing. Daarna werd de molenbelt aangepakt: deze was in het verleden deels afgegraven en vervangen door een stelling en plaatselijk ook door aanbouwen. Thans is er weer een echte belt rondom de molen aanwezig.































Molendatabase nummer: 207

Daams' Molen


In 1870 stichtte H. Daams op deze plaats een windmolen. Latere eigenaren waren W. Rosman, W de Loo en, als laatste in de periode dat de windkracht nog werd gebruikt, de familie De Rooij.






In 1932 volgde algehele onttakeling; de overgebleven romp werd ingericht met een silo, mengketel, eievator, stortkelder, koekenbreker en hamermolen. Op het moment van onttakeling had de molen nog een houten bovenas en dito roeden.






Tot ca. 1964 bleef het veeboederbedrif van Van Rooij in bedrif. Daarna werd de molen verwaarloosd. Er waren zelfs plannen om molenromp en onderachtkant te slopen. Zover kwam het niet: de al bestaande stichting 'Op eigen wieken' werd omgevormd tot de Stichting Vaassens Molen met het doel, deze molen maalvaardig te restaureren.






De reconstructie begon in 1989 en op Nationale Molendag 1990 draaide de molen weer in volle glorie. Het herstel was zeer ingrijpend en grotendeels neergekomen op herbouw: zo moest het oude achtkant vrijwel geheel worden vernieuwd. Het molenmakerswerk werd uitgevoerd door de fa. Groot Roessink uit Voorst, aannemersbedrijf Van Laar uit Vaassen zorgde voor de onderbouw, eerste zolder en stelling. Bij de herbouw is de oorspronkelijke opzet nogal gewijzigd: voorheen lagen de maalstenen op de stellingzolder ( niet ongebruikelijk in die regio), thans liggen zij een zolder hoger. Ook was de molen vroeger niet met riet gedekt, maar met hout en dakleer.






Vanaf 2008 was de molen volop in discussie, dit vanwege plannen om de dorpskern deels te renoveren en van nieuwbouw te voorzien. Als consequentie wilde men, vanwege de te verwachten verminderde windvang, de molen verhogen. Hierover bleken de meningen verdeeld. Uiteindelijk besloot men tot verhoging.






In maart 2012 is hiermee begonnen. Allereerst is de molen in zijn geheel ca, 30 meter verplaatst, naar de overkant van de straat. Vervolgens is op de eigenlijke plaats de fundering verzwaard. Daarna kon de molen weer worden teruggeplaatst, om vervolgens te worden verhoogd. 
Op 7 september 2012 werd de verhoogde en weer geheel maalvaardige molen officieel in gebruik genomen.









































Molendatabase nummer: 277


De Kopermolen


Het dorp Epe kende een negental watermolens. Tot een der oudste daarvan kunnen we ongetwijfeld de kopermolen in het buurtschap Zuuk rekenen.
Al vroeg in de 16de eeuw komen we de molen in archiefstukken tegen. In 1539 verkopen Sander Bentinck en zijn huisvrouw Johanna aan Zeger van Arnhem hun waterkorenmolen gelegen in het kerspel van Epe in de buurtschap Zuyck. Het geslacht Van Arnhem was ook eigenaar van het kasteel Rosendaal bij Arnhem en dit is mogelijk de oorzaak dat de Zuukermolen tot in de 19de eeuw bekend heeft gestaan onder de naam Rosendaalsmolen.






In 1686 wordt de molen met water en grond door Elisabeth van Arnhem in leen opgedragen aan de Staten van Gelderland. In 1708 werd haar zuster Johanna Margaretha van Arnhem, Vrouwe van Rosendaal, gehuwd met Johan van Arnhem met de molen beleend.

In 1706 veranderde de molen, tot dat toe een korenmolen, van bestemming. In dat jaar werd de molen met water en grond verpacht aan de papiermaker Wolbert Adriaens Hafkamp en wel voor de tijd van 30 jaar. Hafkamp verbouwt de korenmolen tot papiermolen en bouwt er zelfs nog een molen bij. Na het overlijden van Johan van Arnhem en zijn echtgenote vererft de molen op de familie Torck. Deze familie stelt blijkbaar meer prijs op contanten want in 1726 verkoopt Lubbert Adolf Torck mede namens broer en zusters het geheel aan pachter Wolbert Hafkamp voor de som van 4100 gulden. Teneinde het verloop van de geschiedenis enigszins te verduidelijken, is het van belang eerst eens kennis te maken met de buren van Wolbert en we doelen hierbij op de boven- en onderbuurman aan dezelfde beek.






Boven de molens van Hafkamp, dus in de richting Wissel lag de Wisselse korenmolen, destijds bezit van Wijnand Zeino van Hoecium en naderhand van Berent Stuerman. Beneden de molens van Hafkamp, dus stroomafwaarts kwam men eerst bij de korenmolen van Gerrit Gerritsen daaronder weer de korenmolen van Egbert Wijchmans c.s later bezit van Wijchman Brants.  In 1731 ziet de bovengenoemde Wijchmans kans de molen van Gerrit Gerrits in bezit te krijgen, met de bedoeling deze af te breken. De afbraak van stuw en schuttingen levert de kopers aanmerkelijke voordelen op met betrekking tot hun eigen molen. Dit kan echter niet maar zonder meer gebeuren. Hiertoe heeft men de toestemming nodig van de geërfden van Zuuk alsmede van de bovenliggende moleneigenaar, in dit geval dus Wolbert Adriaans Hafkamp. Teneinde het volle rendament te halen uit de afbraak van de toen al in verval zijnde molen van Gerrit Gerrits dient de beek ter plaatse verlegd te worden. De geërfde maken geen bezwaar tegen dit vergraven en ook Hafkamp geeft zijn toestemming, omdat hij er eigenlijk alleen maar voordeel van heeft. Doordat er ter plaatse van de molen van Gerrit Gerrits niet meer gestuwd wordt, zakt het waterpeil van zijn onderbeek en Hafkamp krijgt zodoende 1 voet en 2 1/2 duim meer verval. Dit geeft Wolbert de mogelijkheid een groter waterrad aan zijn molen te malen en dus meer vermogen te verkrijgen. De kosten van beek verleggen, nieuwe peilpalen ed. zijn alle voor Egbert Wijenmans en de zijnen, die nu de capaciteit van hun eigen molen kunnen verdubbelen door het aanbrengen van een tweede waterrad en het in gebruik nemen van een tweede koppel stenen voor het malen van het koren, waarvan ook Wolbert kan profiteren aangezien de overeenkomst vermeldt dar de korenmolenaars "altoost gerievelijk zullen zijn in het malen en breecken van coorn te behoeve van Wolbert Adraens papiermaecker en zijn huisgezin en erfgenaemen" Aldus besloten op de 21 augustus 1731.






Het papierbedrijf van Hafkamp, bestaande uit twee papiermolens met elk 4 stuks van de zgn. vijfhamerbakken blijkt naderhand niet bijzonder te hebben gefloreerd: na de dood van Wolbert Adrians Hafkamp en zijn vrouw Willemina Brouwer wordt zoon Jan Wolbers Hafkamp opgescheept met een zogenaamde desolate boedel, d.w.z. een erfenis waarvan de schulden de baten verre te boven gaan. De landdrost van Veluwe benoemt dan ook een tweetal personen tot curator van deze failliete boedel. De Vaassense papiermaker Jacob Bloemkolk en zijn plaatsgenoot koster Hendrik van Wezel worden op 30 juni 1745 als zodanig aangesteld. Samen met de Eper schout wordt dan ook tot verkoop van de onroerende goederen overgegaan. Na "voorafgaande publicatiën en biljetten alomme gepubliceert en aengeslaegen" vindt op donderdag de 4de november 1745 de inzet plaats. Het geheel wordt als volgt omschreven. "Huys, Hof, Bouwschuere en twee hangschueren, Twee Papiermolens ider met vier vijfhaemersbakken, koperen liemktel en blase. De Grond waar op de papier-molens staen, alsmede den Hof daar bij, naast het Witteveen aen, sijnde voormaels wijer geweesten tot Hof gemaekt met een Hof daar bij, naast het Witteveen aen, sijnde voormaels wijer geweesten tot Hof gemaekt met een hoek zaeyland aen deze hof gelegen genaemt den Zaeywyer, alsmede een weijde daar agter aen, waarin vijf beesten of wel meer sijn geweijd en het holtgewas dat seer consideraebel is bij dit goed gehorende. Alsook de erfpagt van het waeter het welk van ouds op een watercoornmolen die daar heeft gelegen heeft gelopen en nu op gemelte papiermolens van wijlen Wolbert Adiaens loopt." 

Als jaarlijkse erfpacht van het water dient 3 gulden betaald te worden aan de Rekenkamerin Gelderland terwijl aan ordinaire verponding ( belasting) jaarlijks een bedrag van 5 gulden, 6 stuivers en 8 penningen op tafel moet komen. Het onderhoud van bruggen en verlaat zijn uiteraard voor rekening van koper. De hoogste inzetter heeft voor het totaal een bedrag van zes duizend gulden over. De toeslag op 11 november geeft een behoorlijke verhoging te zien nl 7090,00 gulden, met als gelukkige eigenaar Frans Jan Haack.






Deze koop wordt het begin van een nieuwe periode in de molengeschiedenis van de Rosendaalse molen. Na koren en papier voelt de nieuwe eigenaar meer voor een kopermolen. Een branche waarin hij goed thuis is en hij gaat dan ook met grote voortvarendheid van start. De 30-jarige Hendrik Sturris Rademaker met de zeven jaar oudere Jan Jansen Huisman en als derde man Jan Sanders van Loohuysen (50) verzorgen in April 1746 de vereiste sloopwerkzaamheden. De beide waterraden, de ene met een doorsnee van 7 voet en 5 duim en het andere dat 1 1/2 cm kleiner is, worden verwijderd en vervangen door een nieuw exemplaar met een middellijn van 8 voet en 2 1/2 duim. Bij het timmeren van het nieuwe molenhoofd vindt men de oude aanleg van de voormalige korenmolen terug, die nog in zo'n goede conditie is dat er zo weer op verder gebouwd kan worden. 
De bekendijken, die erg in verval zijn, worden hersteld en de voormalige stuwvijver krijgt zijn oude functie terug. Wanneer de productie precies begonnen is is niet duidelijk, maar in elk geval was er op 19 mei 1746 al een meesterknecht op de kopermolen genaamd Hendrik Langen. Maar dan begint de ellende: benedenbuurman Wichman Brants heeft met gemengde gevoelens de waterbouwkundige prestaties van Frans Jan gadegeslagen en voelt zich bijzonder te kort gedaan. Vooral wat de waterleverantie betreft, want hij is uiteraard afhankelijk van water wat van de molen van Haack afkomt. Hij meent dat er veel water verloren gaat door de verwaarloosde bekendijken van de bovenbeek van de kopermolen, vooral nu volgens zijn idee Haack het water veel hoger opstuwt dan zijn voorganger Hafkamp. Dat dit laatste niet geheel onjuist is geweest kunnen wij vernemen uit een verklaring van de 64-jarige Jan Hermensz, boerrigter van de buurschap Emst en Westendorp. Het water kwam volgens hem zo hoog dat het over de bekendijken liep, waardoor "de gemeene Heerenweg van Epe naar Vaassen, ten oosten van de soogenaamde Paausbosch enbijlangs de beekendijk gaande bijkans onbruyckbaar wierde."
Na aanzegging van de schout en afkondiging bij de kerk komen op 31 augustus 1746 de geërfden ter plaatse bij elkaar om een en ander op te nernen. Tot hun grote verbazing is de schade al hersteld en wordt alles in goede conditie bevonden. De Vaassense koster Hendrik van Wezel is namens zijn opdrachtgever Haack aanwezig en verklaart aan de geërfden dat ook eventuele verdere schade door Haack zal worden vergoed en met glundere gezichten zien de boeren toe wanneer Hendrik de knip te voorschijn haalt en namens zijn baas zes schellingen overhandigt als bijdrage in het gelag. De herbergier zal wel weer een goede dag gehad hebben. Het meningsverschil met Wichman Brants is echter niet met een borreltje op te lossen en al maken de landmeters W. Leenen en G. Ravenschot een fraaie kaart van de kopermolen met zijn omgeving, er volgt uiteindelijk een proces dat gevoerd wordt voor het Hof van Gelderland. Hoewel de zaak al in eerste instantie op 22 oktober 1746 wordt behandeld duurde het toch nog tot eind 1751 alvorens een eind aan de herrie kwam. Na een inspectie ter plaatse door enkele door het Hof aangewezen commissarissen slaagde men erin tot een akkoord te komen. Haack nam ook de korenmolen van Wichman Brants over voor de somma van 6000,00 gulden terwijl bovendien de vrouw van Wichman werd bedacht met een presentje van 16 ducaten. Hierna werd het weer rustig rond de kopermolen.






Eind 2014 is deze molen niet draaivaardig. Het waterrad verkeert in zeer slecht staat. 

Molendatabase nummer: 208